Onderzoek naar zwerfjongeren

Dat de hulpverlening aan zwerfjongeren in Nederland veel te wensen overlaat bleek al in 2003 uit een verkenning naar de hulpverlening aan zwerfjongeren van het Programma Opvang en Maatschappelijke Zorg van het Trimbosinstituut. Sleutelfiguren bij instellingen en gemeenten gaven aan dat er gebrek is aan capaciteit. Bovendien ontbreekt een sluitende keten van hulp en opvang van zwerfjongeren. Men heeft de indruk dat het aanbod als los zand aan elkaar hangt, lokaal zeer verschillend en weinig overzichtelijk is. Dat het aanbod gefinancierd wordt uit meerdere bronnen zorgt voor nog meer versnippering, waarbij bovendien moeilijk te achterhalen valt welk deel werkelijk wordt benut voor zwerfjongeren.

Het onderzoek van het Trimbosinstituut laat ook zien dat veel van de bijna zeventig voorzieningen voor de opvang van zwerfjongeren criteria hanteren waardoor de deur nu juist gesloten blijft. Dat gebeurt onder meer bij ernstige psychische problemen, verslaving, een illegale verblijfsstatus, gezondheidsproblemen die veel lichamelijke verzorging vragen, agressief gedrag of zwakbegaafdheid. Juist door de specifieke problemen waar veel zwerfjongeren mee kampen zorgen deze criteria van de instellingen voor hoge drempels. De forse achterstandspositie waar deze jongeren maatschappelijk gezien in zitten en het isolement waarin zij vaak verkeren veranderen hier niet door. Sleutelfiguren in de opvang erkennen dat methodiekontwikkeling voor de hulp aan deze groep de laatste jaren is achtergebleven. Een oplossing ligt met de huidige methodiek niet voor de hand.

Ook uit twee opvolgende onderzoeken van de Algemene Rekenkamer blijkt dat deze jongeren niet de zorg krijgen die ze nodig hebben. De Rekenkamer signaleert te weinig aandacht voor samenhangende activiteiten voor zwerfjongeren als het gaat om preventie, signalering, eerste (crisis)opvang, begeleidingstrajecten, vervolgtrajecten en nazorg. En stelt ook vast dat het aantal zwerfjongeren is gegroeid. Bij veel gemeenten blijft daardoor de groei van de voorzieningen achter bij de vraag. Met alle gevolgen van dien. Er is alle aanleiding om te stellen dat de hulpverlening aan zwerfjongeren op dit moment verre van ideaal is.

In 2002 heeft de Tweede Kamer besloten om het budget voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid te verhogen en een deel van het extra budget te bestemmen voor de opvang van zwerfjongeren. Belangrijk is uiteraard dat gemeenten het geld ook daadwerkelijk aan beleid en concrete activiteiten voor zwerfjongeren hebben besteed en het aantal ook heeft kunnen dalen.

Verder blijkt uit alle rapporten een toename van de hulpvraag. Het aantal zwerfjongeren in Nederland neemt dus toe doch het werkelijke aantal kan slechts geschat worden. Er is namelijk geen registratie, geen algemeen geldende definitie en er zijn geen afspraken over een uniforme vastlegging van gegevens. Een nieuwe definitie van zwerfjongere door het Rijk en een voorgestelde registratieregeling bij de opvang en jeugdzorg bieden enig houvast maar aanvullend onderzoek is nodig om ook de dak- en thuisloze jongeren die niet bij de opvang geregistreerd zijn, in beeld te brengen en te houden.

Naar de conclusies uit het onderzoek >>>

Zwerende jongere